Fase 2: Fundamentals 2
- Kernprincipes
- Inleiding
- Lichaamsveranderingen
- Trainbaarheid
- Fysieke kenmerken
- Training- en wedstrijdkenmerken
- Verwachtingen trainer
Leeftijd:
Jongens: 8-9 jaar
Meisjes: 8-9 jaar
Categorie: Benjamins
Kernprincipes
Brede motorische ontwikkeling | Fun & Plezier |
Basistechniek via spel | Bewegingssnelheid |
Algemene inleiding
In deze fase bouwen we verder op Fundamentals 1.
Plezier blijft centraal staan (“Fun”), maar de trainingen worden iets langer en bevatten ongeveer 15% oefenvormen.
Wat gebeurt er op deze leeftijd met het lichaam?
Het lichaam blijft gestaag groeien: gemiddeld 5 cm lengte en 4 à 5 kg gewicht per jaar. Het verschil tussen jongens en meisjes blijft klein, maar binnen een groep kan het lengteverschil oplopen tot wel 20 cm.
Als trainer blijf je waakzaam voor de belasting, want de botten zijn nog niet volledig volgroeid. De spiermassa neemt geleidelijk toe, en ook hart en longen ontwikkelen verder.
Overzicht trainbaarheid van de fysieke kenmerken
Coördinatie | Techniek | ||
|---|---|---|---|
Algemene coördinatie | |||
Lenigheid | Lenigheid / Mobiliteit | ||
Kracht | Basiskracht / Krachtuithoudingsvermogen | ||
Maximale kracht en explosieve kracht | - | ||
Snelkracht & reactieve kracht | Werpkracht | - | |
Sprongkracht | - | ||
Sprintkracht | - | ||
Snelheid | (Max.) Snelheid | ||
Snelheiduithoudingsvermogen | - | ||
Uithouding | Anaerobe training (melkzuurvorming) | - | |
Aerobe training / basisuithouding | |||
Fysieke kenmerken uitgelicht
Kracht: Spieren en botten kunnen nog steeds geen zware belasting aan. Atleten in deze fase ontwikkelen vanzelf meer kracht dankzij een beter functionerend zenuwstelsel en een lichte toename van spiermassa. Naast de speelse vormen met het eigen lichaamsgewicht voegen we nu vormspanningsoefeningen toe, zodat atleten leren wat “spanning” en “ontspanning” betekenen. De focus ligt op basiskracht, niet op specifieke krachtvormen.
Lenigheid: Vanaf ongeveer 9 jaar vermindert de natuurlijke lenigheid. Daarom onderhouden we die actief. We gebruiken vooral actieve lenigheidsvormen, geïntegreerd in de opwarming. Zo behouden atleten hun soepelheid zonder aparte lenigheidstraining.
Snelheid:
We blijven inzetten op:
Bewegingssnelheid (frequentie)
Reactiesnelheid
Startsnelheid
Wendbaarheid
Naast laag-intensieve tweebenige sprongen voegen we nu ook af en toe éénbenige sprongen ter plaatse toe. We kunnen vormen van maximale snelheid aanbieden, maar houden de inspanningen beperkt tot maximaal 5 seconden (ongeveer 30 à 40 meter).
Uithouding: We plannen nog geen specifieke aerobe of anaerobe trainingen, omdat atleten in deze fase weinig extra trainingseffect behalen.
Hun zuurstoftoevoer naar de spieren verloopt minder efficiënt dan bij volwassenen — ze hebben ruim 10% meer zuurstof nodig om dezelfde energie te leveren.
Kinderen bewegen echter van nature aerobe en anaeroob alactisch.
We vermijden anaerobe training met melkzuurvorming, want het systeem is nog onvoldoende ontwikkeld. De intensiteit van activiteiten mag niet hoger liggen dan 80% van de maximale hartslag. Intermitterende activiteiten (afwisselend rust en inspanning) kunnen tot 10 à 15 minuten duren.
Coördinatie: We blijven spelvormen gebruiken om verschillende coördinatievaardigheden te verbeteren: oog-handcoördinatie, evenwicht, oog-voetcoördinatie, ritme, enzovoort.
De beweegfamilies, loop-, spring- en werpvormen, balspelen en gymnastische oefeningen blijven de basis van de training.
We trainen bewust tweezijdig, zodat atleten hun linker- en rechterkant evenwichtig ontwikkelen. Af en toe besteden we aandacht aan techniek, vooral om de wedstrijdvormen voor te bereiden. Die technische oefenvormen nemen maximaal 15% van de trainingstijd in beslag.
Training- en wedstrijdkenmerken
Oefenvorm vs. spelvorm | 15% Oefenvorm vs. 85% Spelvorm |
Aantal trainingen per week | 2 trainingen |
Duur trainingen | 1u à 1u15 |
Aantal Wedstrijden | 5 à 10 per jaar |
Periodisering | NIET |
Paramedische opvolging | NIET |
Detectie, -oriëntatie en specialisatie | NIET (Polyvalente ontwikkeling) |
We gebruiken in deze fase iets meer oefenvormen (ongeveer 15%) om de basis van de wedstrijdvormen aan te leren.
Spel motiveert, verhoogt de activiteit en vergroot de leerkansen. De organisatie en omgeving van de training moeten een goede basis leggen.
Atleten trainen nog steeds 2 keer per week.
We gebruiken geen periodisering, maar kunnen werken met themablokken.
We maken nog geen onderscheid tussen competitieve en recreatieve atleten en kiezen nog geen specifieke discipline(groep). Alle atleten trainen allround.
Een groep van 15 à 20 atleten wordt idealiter begeleid door minstens één trainer.
Elke training bevat een speelse opwarming.
Een cooling-down is niet nodig, want blessures komen zelden voor in deze leeftijdsgroep.
Verwachtingen trainer
De trainer laat de atleten op een speelse manier kennismaken met de verschillende beweegfamilies, met extra aandacht voor loop-, werp- en sprongvaardigheden.
Profiel van de trainer:
Rol: entertainer en motivator
Werkwijze: geeft weinig gedetailleerde instructies; laat vooral veel bewegen
Houding: enthousiast, duidelijk, veilig en positief
Aanwezigheid: altijd op tijd en betrouwbaar
Opleiding: Start2Coach of Initiator Atletiek
Tijdsbesteding: ongeveer 3 uur training geven + 1 uur voorbereiding/overleg
Wedstrijden: bezoekt af en toe een wedstrijd